Pim in de jubileumeditie van Volley Techno

In het kader van haar 35 jarig jubileum heeft de NVVO (Nederlandse Vereniging voor Volleybal Oefenmeesters) een speciale editie van de Volleytechno uitgegeven. In de jubileumeditie was ook een plekje voor Pim vrijgehouden. Hij schreef over zitvolleybal vanuit zijn eigen perspectief.

Het volledige jubileumnummer is hier te lezen.

Zitvolleybal vanuit het perspectief van de bondscoach Paravolley Dames NL

Met dank aan de archieven en het geheugen van Elvira Stinnissen en Djoke van Marum!

In 1980 werd zitvolleybal voor mannen een Paralympische sport. De Paralympische Spelen van 1980 werden gehouden in Arnhem, waar het Nederlandse herenteam goud won. Het vrouwenteam deed voor het eerst mee aan een WK in 1994, dat in Nederland werd gehouden. Zij werden daar eerste.

In 1988 werden in Seoul voor het eerste de Paralympische Spelen op dezelfde locatie georganiseerd als de Olympische Spelen en het vrouwenzitvolleybal kwam voor het eerst op het Paralympisch programma in Athene 2004. Hier wonnen de dames een zilveren medaille, met Djoke van Marum al in de gelederen. Zij is sindsdien op alle Spelen actief geweest. In 2008 werd in Bejing een bronzen medaille gewonnen, in 2012 werd het team vierde en in Rio 2016 werd de zesde plaats bereikt.

Wereldwijd was Nederland bij aanvang hét topland in zitvolleybal. Nederland was vernieuwend en zette de koers in op meer professionalisering van de sport. Door toenmalige bondscoach Joze Banfi was in de periode voor Athene met name veel zitvolleybalkennis ontwikkeld en gebruikt, wat tot vele successen van het damesteam heeft geleid. Maar nadat in en na Athene China en Amerika zich snel ontwikkelden binnen de sport, was meer nodig dan alleen zitvolleybalkennis.

Met de overgang van de Nebas NSG naar de Nevobo in 2006 kon geleerd worden van de andere volleybaldisciplines, zoals het gebruik van Datavolley. Nederland en Amerika waren hierin destijds de meest vooruitstrevende landen. Maar ook aan uitstraling werd gewerkt, zoals door de teams in dezelfde nationale teamkleding te steken als onze indoor collega’s. In de aanloop naar de paralympics van Beijing sijpelden deze veranderingen langzaam door naar andere zitvolleyballanden.

Tussen de Spelen van 2008 Beijing en 2012 Londen kwamen met name Rusland en Oekraïne op. Na onder andere 7x goud te hebben gewonnen op de EK’s tussen 1993 en 2009, werd het team door deze twee landen voorbijgestreefd. De trainingsprogramma’s van meerdere landen werden geïntensiveerd en de werving van speelsters was gericht op ex-volleybalsters (indoor) met knie- en/of enkelproblemen.

De status van een Paralympische sport maakt iets extra’s los in landen. Ze willen er meer middelen en tijd in steken. En doordat de Paralympische Spelen dezelfde eisen kent als Olympisch en er een wereldwijde dekking moet zijn, heeft dit ook geholpen Afrikaanse landen te laten deelnemen aan de sport. Zo heeft de Nederlandse trainer-coach Peter Karreman met het Rwandese herenteam deelgenomen aan de paralympics van Londen 2012 en met het Rwandese damesteam in Rio de Janeiro 2016.

– tekst gaat door na de foto –

Pim met de Paravolley Dames NL op de Paralympics in Rio de Janeiro 2016

Deze mate van intensivering en professionalisering is in de periode tot en met Rio nog meer versterkt. De belangen in de sport worden groter, het aantal landen dat deelneemt neemt toe en de eisen van de IPC (International Paralympic Committee) nemen ook toe.

Als sport zitten we in een constant spanningsveld met enerzijds de wens om veel en goede speelsters te willen hebben en anderzijds worden we beperkt door de strenger wordende classificatieregels van IPC. Wie mag wel en niet meedoen aan de Paralympische sport zitvolleybal? En als er door de classificaties teveel beperkingen worden opgelegd, mensen worden uitgesloten in plaats van opgenomen, wil je dan nog wel een Paralympische sport zijn?  Voor de continuïteit van de sport is het immers belangrijk dat zitvolleybal ook door de grote volleybalgemeenschap wordt gewaardeerd en gezien als mogelijkheid om actief aan sportbeoefening te blijven doen, eventueel nadat je een knie-of enkelblessure hebt opgelopen.

De laatste jaren neemt het aantal landen met een Nationaal damesteam zitvolleybal nog steeds toe, met name in Europa. Sterk in opkomst is bijvoorbeeld ook volleyballand Italië, waar alle Serie A teams de verplichting (!) hebben om een zitvolleybalafdeling te hebben. We zien steeds verdergaande professionalisering van de sport, waarbij de “staande” internationale volleybalwereld als voorbeeld dient: begeleidingsteams worden groter en specifieker, steeds meer landen hebben videoscouts en de programma’s van steeds meer landen worden uitgebreid tot volledig full-time. De invloed is duidelijk waar te nemen bij de grote wedstrijden als de EK-, WK- en Paralympische (halve) finales; net als bij “grote broer” indoor-volleybal is het zitvolleybal in de afgelopen 20 jaar ontzettend geëvolueerd en lijkt het bijna een ander spelletje te zijn geworden.

In de dameslijn zijn momenteel USA, China en Rusland de grote drie die met full-time programma’s de dienst uitmaken in de wereldtop. Daaronder voert een aantal landen moedig strijd om aansluiting te vinden bij de top drie, waaronder Slovenië, Oekraïne, Canada, Brazilië, Iran en Nederland.

Naar mijn persoonlijke mening is dit, onder de huidige omstandigheden een zeer lastige strijd. Zoals blijkt uit de ervaringen in de reguliere (Olympische) en een aantal andere Paralympische sporten is het noodzaak geworden om in de steeds verder gaande professionalisering mee te gaan, door een nog beter programma te kunnen aanbieden. In Nederland zijn wij afhankelijk van de bereidwilligheid van een (klein) aantal speelsters die veel opzij moeten zetten om zoveel mogelijk trainingsuren te maken. Zolang andere landen full-time programma’s blijven draaien (en dat worden er naar mijn overtuiging steeds meer), kan je met deze middelen niet meer bij mee blijven doen in de medaillerace.

Een tweede uitdaging voor de toekomst is de scouting; het blijkt überhaupt al lastig om jeugdige sporters te vinden met een fysieke beperking en daarbij “beconcurreren” de verschillende sporten elkaar natuurlijk ook nog. Doordat het aantal zitvolleybalteams bij volleybalverenigingen vrij klein is en de spelers en speelsters meestal gemiddeld iets ouder dan in het reguliere volleybal, vinden jonge mensen niet altijd even makkelijk aansluiting bij onze sport. Daarom wil ik als slot van dit artikel graag iedereen in de volleybalwereld oproepen om zitvolleybal tenminste één keer serieus uit te proberen om te ervaren hoe leuk het is, om daarna als club te overwegen een zitvolleybalteam op te starten. Hierbij kan de Nevobo, in de persoon van Hans Mater, prima ondersteunen!

 

Leave a Comment